Het Nederlandse taalgebied vertoont een enorme variatie. Taalgebruikers worden er dagelijks mee geconfronteerd: ze stellen vast dat het dialect van het aangrenzende dorp in een aantal opzichten afwijkt van hun eigen dialect. Collega's of vrienden uit een andere provincie houden er bovendien een totaal ander dialect op na. Niet alleen dialectwetenschappers raken daardoor gefascineerd; dialectverschillen worden door de meeste sprekers als intrigerend ervaren. Onze dialecten vormen een ontzettend rijk cultureel erfgoed, dat meer dan ooit tevoren aandacht verdient.
Eeuwenlang was voor bijna iedereen het lokale dialect de dagelijkse omgangstaal, maar in de laatste decennia is daar in een snel tempo verandering in gekomen. Dialectologen spreken van 'dialectverlies'. Dit proces van dialectverlies voltrekt zich op twee niveaus: in steeds meer situaties wordt het dialect ingeruild voor de standaardtaal, waardoor het in toenemende mate aan functieverlies lijdt. Bovendien dringen elementen uit de standaardtaal binnen in de dialecten. Vooral dialectkenmerken met een beperkte geografische verspreiding verdwijnen daardoor razendsnel. We spreken in dit geval van structuurverlies.
Dat ingrijpende proces van dialectverlies, het gebrek aan aandacht voor deze problematiek van overheidswege en de vaststelling dat rond dialecten en dialectgebruik vele hardnekkige vooroordelen leven, vormen de achtergrond voor de Motie van Tolerantie en Attentie die op 12 juni 2001 tijdens het symposium Taal of Tongval in Amsterdam door Siemon Reker werd ingediend. Onderwerp van het symposium waren het Handvest van de Raad van Europa met betrekking tot regionale talen en talen van minderheden en de rol die taalwetenschappers daarin al dan niet moeten spelen. In oktober 2001 werd de motie op ruimere schaal verspreid door de Stichting Nederlandse Dialecten.
Hieronder geven we de motie weer. Ze wordt vervolgens toegelicht in een commentaarstuk over de achtergrond van de problematiek en de doelstellingen die de Stichting Nederlandse Dialecten en de adhesiebetuigers voor ogen hebben.
MOTIE VAN TOLERANTIE EN ATTENTIE
Uitgaande van de fundamentele gelijkwaardigheid van talen en dialecten;
in aansluiting aan het Multiculturele Manifest 2000;
onverminderd de werking van het Handvest voor regionale talen of talen van minderheden en met een expliciete erkenning van de rol van het Standaardnederlands (en in Friesland van het Fries),
roepen deelnemers aan het symposium Taal of Tongval (Amsterdam d.d. 12 juni 2001) en andere ondertekenaars alle overheden (zowel de landelijke, provinciale als gemeentelijke), alle betrokken instellingen en alle sprekers in het Nederlandse taalgebied op tot volledige maatschappelijke acceptatie van en uitdrukkelijker steun aan de van
oudsher in dat gebied gesproken variëteiten dan thans het geval is.
Die steun betreft zowel de algemeen-maatschappelijke, onderwijskundige en culturele facetten van de problematiek als het wetenschappelijke onderzoek terzake.
Deze oproep richt zich in de eerste plaats tot de centrale overheden van Nederland en België en heeft betrekking op alle autochtone taalvariëteiten in het Nederlandse taalgebied, ongeacht de status zij tot dusver wettelijk bezitten.
Taalvariatie is taalrijkdom
Meertaligheid is een natuurlijk, en voor vele samenlevingen, een evident gegeven. Mensen beschikken over het vermogen om meerdere taalvariëteiten tegelijkertijd te beheersen. Ze maken op een heel functionele en zelfs virtuoze wijze gebruik van de taalvariëteiten die tot hun persoonlijk talig repertoire behoren. Dat vermogen wordt vaak onderbenut. Het bestaan van homogene taalgemeenschappen is eigenlijk een mythe. Ook in eentalige samenlevingen is taalvariatie niet alleen gewoon, het ontbreken ervan zou disfunctioneel zijn. Mensen maken op een subtiele manier gebruik van taalvariatie om zich aan te passen aan verschillende situaties, om zichzelf te identificeren en te profileren, om hun relaties tot anderen vorm te geven. Taalvariatie is betekenisvol voor taalgebruikers. Meertaligheid is geen handicap, taalvariatie is niet hinderlijk. Het zijn vormen van taalrijkdom.
Dialecten zijn volwaardige taalsystemen met een bijzondere cultuurhistorische waarde
Tot de hardnekkige vooroordelen over dialecten behoort de idee dat ze intrinsiek minderwaardige taalsystemen zouden zijn. Niets is minder waar: de bouwstenen van onze dialecten zijn in essentie niet verschillend van die van andere talen of taalvariëteiten. Elk dialect beschikt over een volwaardige grammatica en een volwaardig lexicon. Dialecten zijn dus volwaardige taalsystemen, met een eigen klankvoorraad, een eigen woordenschat en eigen regels voor de combinatie ervan in woorden en zinnen.
De enorme dialectvariatie in het Nederlandse taalgebied vormt een afspiegeling van de taalgeschiedenis. Wat in het Nederlandse taalgebied geografisch naast elkaar te vinden is, zijn in vele gevallen de sporen van wat zich historisch na elkaar heeft afgespeeld. Het bestuderen van die taalvariatie laat ons toe een stuk taalgeschiedenis te reconstrueren. Het biedt inzichten in de dynamiek van talen in het heden en in het verleden, in de effecten van taalcontact en het aanpassingsvermogen van de taalgebruiker.
Dialectverlies: oorzaak en gevolg
Voor de achteruitgang van het dialect zijn vele oorzaken aan te wijzen. In de eerste plaats zijn dat objectieve factoren die verband houden met bepaalde maatschappelijke evoluties. We leven niet langer in besloten gemeenschappen. De verhoogde mobiliteit bracht de dialectspreker in toenemende mate in contact met mensen met een andere dialectachtergrond. De 20e eeuw was bovendien de eeuw van de nieuwe communicatiemiddelen: naast telefoon, radio en tv brachten ook de computer en het internet de wereld binnen handbereik. Communiceren gebeurt op steeds grotere schaal. Voor dergelijke vormen van supraregionale communicatie volstaat het lokale dialect niet langer. Daarom verruilt de dialectspreker in toenemende mate zijn nabije omgevingstaal voor Algemeen Nederlands. Het toegenomen opleidingsniveau van de gemiddelde Vlaming en Nederlander heeft de omschakeling naar Algemeen Nederlands bovendien mogelijk gemaakt en versneld.
In samenhang met deze objectieve factoren staan een aantal subjectieve factoren die het proces van dialectverlies versterkt hebben. Die factoren hebben met de perceptie en appreciatie van dialecten te maken, niet met de intrinsieke kenmerken ervan. Voor dialecten zou geen plaats meer zijn in onze multimediale mobiele samenleving, dialectgebruik zou plat en ongepast zijn, symptomatisch voor een gebrek aan opleiding en vooral: een dialectopvoeding zou een fataal beletsel zijn voor een goede beheersing van de standaardtaal. Dat soort vooroordelen willen we ontkrachten: het gebruik van dialect én standaardtaal is een vorm van meertaligheid en meertaligheid is een natuurlijk en verrijkend gegeven. Een bewust en gedifferentieerd gebruik van dialect en standaardtaal in verschillende situaties impliceert taalrijkdom, veeleer dan taalarmoede: een goede beheersing van de ene taalvariëteit sluit een goede beheersing van de andere niet uit. Dat bleek recent nog uit onderzoek van Nijmeegse taalwetenschappers die vaststelden dat de Nederlandse taalbeheersing van in het dialect opgevoede schoolkinderen in geen enkel opzicht zwakker is dan die van hun in de standaardtaal opgevoede leeftijdsgenootjes*. Een goede beheersing van de standaardtaal wordt echter wél belemmerd door taalonzekerheid. En taalonzekerheid is vaak het product van afkeuring en onbegrip, in dit geval t.o.v. het dialect.
Een weloverwogen en genuanceerd pleidooi voor tolerantie en attentie
(a) beeldvorming
Dialect en standaardtaal zijn functioneel complementair. Het gebruik van dialect is voornamelijk gebonden aan informele situaties, aan contacten in de nabije omgeving. Formele en publieke situaties en supraregionale communicatie veronderstellen het gebruik van standaardtaal. In grote delen van het Nederlandse taalgebied is de standaardtaal ondertussen al in de huis-, tuin-, en vriendensfeer binnengedrongen, maar dat neemt niet weg dat voor velen het dialect hier nog een vaste en waardevolle stek heeft. De SND onderkent zonder meer het belang van een goede beheersing van de standaardtaal en pleit dan ook niet voor onderwijs van het dialect of voor vrij dialectgebruik in de media. Ze is er echter wel van overtuigd dat langs beide kanalen correcte en goed onderbouwde informatie kan en moet worden verschaft over de functionaliteit van dialecten. Dialectvariatie, dialectverandering, dialectverlies, de verhouding dialect-standaardtaal ... het zijn topics waaraan o.m. in het onderwijs en de media meer aandacht besteed zou kunnen/moeten worden. De SND heeft hiermee geen utopisch project van 'dialectredding' voor ogen. Haar pleidooi voor aandacht voor autochtone taalvariëteiten impliceert bovendien zeker geen miskenning van de vele allochtone taalvariëteiten die onze multiculturele samenleving rijk is. Integendeel, ook hier gaat het om vormen van meertaligheid en taalvariatie die in onze maatschappij ingebed zijn en bijzondere aandacht verdienen.
Wel is dit manifest een pleidooi tegen een eenzijdig negatieve appreciatie van dialectgebruik én voor genuanceerde positieve beeldvorming over dialect en taalvariatie in het algemeen.
(b) structurele steun van overheidswege
Er is meer dan ooit behoefte aan structurele financiering van onderzoeksprojecten die een zinvol antwoord bieden op de hierboven geschetste problematiek. De doelstelling van het onderzoek dat we voor ogen hebben is tweeledig:
- Er is een acute nood aan archivering van onze dialecten. Anders dan de standaardtaal zijn de dialecten immers taalsystemen die bijna uitsluitend in gesproken vorm voorkomen. Voor vele dialecten is het stadium van vijf voor twaalf al voorbij. Wat nu niet vastgelegd wordt, is over enkele jaren onherroepelijk en spoorloos verdwenen.
Aan universiteiten en wetenschappelijke instellingen in Nederland en Vlaanderen lopen projecten die een grondige archivering ambiëren, maar de financiering van die projecten gebeurt doorgaans onsystematisch en occasioneel. De beschikbare fondsen worden dankbaar goed besteed, maar het wordt de jongste jaren merkbaar moeilijker om fondsen te werven voor dit type onderzoek. Bij bepaalde instanties is een zekere 'subsidiëringsmoeheid' waar te nemen, net nu het geld meer dan nodig is en blijft. We zijn van mening dat hier een belangrijke taak weggelegd is voor de overheid. Er zou aanzienlijk meer geld vrijgemaakt moeten worden voor het inventariseren van het cultuurpatrimonium. De dialecten van ons taalgebied vormen daar een essentieel en waardevol onderdeel van. Niet onbelangrijk hierbij is dat dialectonderzoek op zich ook een maatschappelijk statement is: de dialectgebruikers - velen worden overigens als informanten bij het onderzoek betrokken - ervaren dat hun dialect erkenning krijgt. Op die manier draagt dialectonderzoek ook indirect bij tot maatschappelijke waardering van dialecten.
- Het archiveren van dialectmateriaal, het onderzoek naar dialectverandering en dialectverlies moet bijdragen tot een juiste evaluatie van de inbedding, relevantie en de emotionele waarde van de dialecten in onze maatschappij, vroeger en nu. Finaal moet dit onderzoek leiden tot breed-maatschappelijke projecten rond taalvariatie en tolerantie t.o.v. taalvariatie. Die projecten vormen meer dan alleen een uitvloeisel van de archiveringsdoelstelling. Ze zijn een doel op zich. Het moderne politieke streven naar een multiculturele en tolerante samenleving heeft immers ook een talige dimensie, die tot op heden kennelijk nog niet onderkend is.
* = F. van der Slik, G. Driessen en K. de Bot (2000): Thuistaal en taalvaardigheid in het basisonderwijs: een longitudinaal onderzoek. In: Gramma/TTT-tijdschrift voor taalwetenschap, 119-144. |